Joost de Vries · Volledige film · 15′57″
Een portret van de Nederlandse schrijver Joost de Vries.
Transcriptie
▶ Joost de Vries · Volledige film · 15′57″
Joost de Vries: Mensen verwachten dat je als een schrijver praat. Een schrijver praat met veel pathos en een zware stem. Die praat langzaam en zegt grote dingen over de dood, het leven en liefde. Ik heb die pathos nooit kunnen vinden.
Elke keer als ik op een podium sta, heb ik niet het idee dat ik de meest interessante persoon ben om daar te staan. Volgens mij ben ik veel te saai voor al die mensen in de zaal. Ik denk ook voor jou, Rob, dat je het absoluut niet getroffen hebt dat je uitgerekend over mij een film moet maken. Volgens mij heb je de saaiste kaart uit het deck getroffen.
Ik kan met veel plezier naar saaie dingen kijken. Er gebeurt altijd een hoop in mijn hoofd, en zodoende zijn er bepaalde dingen die fijn zijn om naar te kijken waarin weinig gebeurt.
Ik kan goed in een trein gaan zitten en vier uur lang stilzitten. Ik merk dat ik met veel plezier niets liever doe dan vijf uur lang naar een Tour de France-etappe kijken waarin niets gebeurt, waarin je alleen het landschap voorbij ziet rollen.
Golf is daar een mooi voorbeeld van. Er gebeurt heel weinig als je kijkt hoe lang het duurt tussen twee slagen. Soms ga je dan dingen zelf proberen te doen. Toen ging ik golfen en dat lag me gek genoeg wel.
Je stapt ergens in en het heeft niet veel nut om iets half te doen, denk ik altijd. Als je het wil weten, wil je alles weten. Zo'n golftoernooi, de US Open, heb je aanstaan op je tv en tegelijkertijd heb ik mijn laptop erbij met Wikipedia open en ben ik alle jaargangen en edities aan het bekijken. Vervolgens wil ik de geschiedenis van al die sporters weten.
De Republiek is een boek geschreven in de eerste persoon. Friso is de verteller, die qua uiterlijk redelijk op me lijkt. Omdat je jarenlang aan zo'n personage zit te schrijven, kun je van zo'n personage een geëxalteerde versie van jezelf maken. Veel helderder, scherper, grappiger, verdrietiger. Jezelf in het kwadraat kun je maken.
De hoofdpersoon, Joost Brik, heet hij, is dik en praat met een gek accent. Hij is onhandig en niemand weet precies hoe zijn seksleven eruitziet, of hij überhaupt wel seks heeft, of hij überhaupt liefdesrelaties heeft.
Je kunt je misschien afvragen of dat een relatie was die van twee kanten gelijkwaardig was, of Friso niet veel meer om Brik gaf dan andersom.
Technisch gezien was hij vrijgesteld van zijn onderwijsverplichting. Hij kon gaan en staan waar hij wilde, maar op zijn hoorcolleges kwam altijd dezelfde harde kern van studenten af die aan zijn lippen kleefde. Iets waar de universiteit in haar brochures mee pochte: dat er een intellectueel klimaat hing dat zich niet alleen liet vertalen naar contacturen.
Toen zijn vriendin Pip tijdens een oratie van hem over Oedipus en seks in de films van Hitchcock opstond en hem de legendarische vraag stelde of hij zelf nog wel eens seks had, waarop hij nog legendarischer antwoordde: “Seks? No, never. Dat is voor mij een veel te cognitieve bezigheid.”
Frankrijk. Het was de zomer, het was Frankrijk. We waren van huis en het waren de gelukkigste weken van mijn leven geweest. Ongecompliceerd. Al die zomervakanties.
Van onze vaste camping naar het dichtstbijzijnde dorpje was het vijf of zes kilometer lopen. Een slingerende weg tegen een berg op. Verkeer was er nauwelijks. Langs de weg groeide lavendel. Onzichtbare krekels maakten een krassende geluid. Bijna elke dag liep ik in de genadeloze zon naar het dorpje, meestal met een handdoek om mijn nek zodat mijn schouders niet verbrandden.
In de zomer voor mijn achttiende verjaardag verloor ik mijn maagdelijkheid aan een Frans meisje. Ik verloor niks, ik kreeg iets. Zo zag ik het toen en zo zie ik het nu nog steeds. Zij gaf me een cadeau en dat cadeau was zij zelf. Daar ging ik gepast, onhandig en gehaast mee om. Zoals je van een cadeau dat je heel graag wil hebben ook de verpakking in één keer stuk trekt. Maar wel vrolijk, wel lachend. Zij lachte ook en zei dat we gewoon even moesten wachten en het daarna nog een keer moesten proberen. En dat deden we. Vrijwel de hele middag.
Daarna gingen we naar het riviertje dat langs onze camping stroomde en lieten we ons met de stroming meedrijven, hand in hand en op onze rug. De blauwe hemel, de zon. We zagen de bergen aan weerszijden van de Gorges du Verdon tussen onze wimpers door. We lieten ons zo ver afzakken dat we uiteindelijk vijf of zes kilometer op onze blote voeten moesten teruglopen. Maar we waren met z'n tweeën en we liepen hand in hand.
En toen we terugkwamen, was het al etenstijd. Bij het afwassen stond ik zachtjes te huilen, weet ik nog, omdat de dag voorbij was. Omdat het me toch door de vingers was geglipt.
Misschien ken je, Rob, die scène uit Der Himmel über Berlin van Wim Wenders. Waarin door Berlijn allemaal geesten heen zweven. Allemaal engelen die de mensen niet met rust kunnen laten, die het leven niet achter zich kunnen laten. Dan heb je een geest die de hele tijd door de bibliotheek heen zwerft. Zo'n bibliotheek waar niemand meer komt.
Vroeger vond ik het altijd een heel treurig idee dat je allemaal boeken hebt die ergens staan, verlaten worden door de mensen en niet meer gelezen worden.
Ik was laatst in een bibliotheek en toen kwam ik een hele mooie uitgave van Ulysses tegen van James Joyce. Toen kon ik zien wanneer dat boek voor het laatst was uitgeleend. Dat was in 2006, dus dat boek was al tien jaar lang door niemand mee naar huis genomen.
Eerst vond ik dat heel treurig. Vond ik het heel zielig. Je hebt het over Ulysses, ongeveer de beste roman van de twintigste eeuw. Toen dacht ik: nee, het is helemaal niet zielig. Dit boek heeft niets van zijn kracht verloren. Dit boek is op geen enkele manier zielig, maar opeens gaf dat wel een gevoel van onoverwinnelijkheid. Het boek heeft zijn lezers niet nodig. Het boek bestaat helemaal op zichzelf. Dat vond ik heel mooi.
Ik had een hele bijzondere grootvader. Die man vertelde alleen maar verhalen. Die vertelde alleen maar sterke verhalen aan mij en mijn broer. Hij had ook een schriftje waarin hij alle moppen opschreef. Het waren moppen die hij zelf bedacht. Ze gingen altijd over Max en Joe. Joe, dat was dus Joe, maar hij sprak alles fonetisch uit, dus het was Max en Joe.
Max en Joe gingen golfen en in de verte zien ze twee mensen voor hen op wie ze steeds moeten wachten, want die zijn veel trager met het slaan van de bal dan zij. Op een gegeven moment zegt Max tegen Joe: “Joe, ga jij eens naar ze toe en zeg eens dat ze op moeten schieten.” Joe loopt over de baan en halverwege de fairway schrikt hij, duikt hij omlaag en komt hij vlug terug naar Max toe. Max zegt: “Jeetje Joe, wat is er aan de hand?” En Joe zegt: “Ik kan niet naar ze toe gaan, want die twee mensen voor ons, dat is mijn vrouw met mijn minnares. Max, kun jij gaan?”
Max loopt ernaartoe en halverwege de baan staat hij ook stil. Komt ook weer teruglopen over de golfbaan. Dan zegt Joe: “Max, wat had jij nou?” Dan zegt Max: “Het is een kleine wereld.”
“Let eens op”, zegt Wouter. “Op deze hole, de negende, sloeg Gene Sarazen in 1935 een albatros.” Waarschijnlijk de grootste zeldzaamheid in golf. De volgende dag won Sarazen de Masters. Met zijn hand beeldt de gids de curve van de bal uit. “Een albatros is drie onder par”, zegt Wouter. “Merci voor de info”, zeg ik, aangezien ik een totale […] ben die niet weet hoe golf werkt. “You're welcome”, zegt Wouter.
Het is een scène die ik altijd in mijn hoofd heb en die komt uit een Franse film van Jean-Pierre Melville, L'Armée des ombres. Dat is een film uit de jaren 60 en het gaat over het Franse verzet tijdens de Duitse bezetting. In de scène is de held van de film, Lino Ventura, genoodzaakt onder te duiken. Dat doet hij op het landgoed van een baron. De baron draagt een geruit jasje, heeft een keurige militaire snor en een jagershoedje op.
Die baron zegt tegen de verzetsman: “Weet u, ik ben altijd monarchist geweest en ik heb me altijd voorgenomen dat als de revolutie uit zou breken, ik te paard de prefectuur zou bestormen.” Beide mannen moeten daarom lachen. Die twee mannen lopen daar en ze weten allebei dat wat de één vertelt onzin is. Tegelijkertijd merk je aan alles dat de baron zegt dat dit voor hem veel echter is dan zijn echte leven.
Daar ben ik altijd zelf heel erg in geïnteresseerd. Het leven is niet alleen wie je bent, maar het leven is ook het masker dat je opzet. Sterker nog, ik denk dat heel vaak het masker dat je opzet iets over je kan onthullen dat je zonder masker niet zomaar zou kunnen laten zien. Ik denk dat dat iets is wat bijna al mijn personages in mijn romans gemeen hebben met elkaar. Het zijn mensen die misschien poseren, die zich anders voordoen dan ze zijn. Maar juist door iets te spelen, juist door een rol te spelen, kunnen ze worden wie ze echt zijn.
Uitgeschreven op basis van het geluid van het fragment en nagelezen; de Engelse vertalingen zijn van ons.